ECLI:NL:RBAMS:2015:3036

 

Zaak inhoudelijk:
– Vrijspraak poging tot doodslag. Poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging, gepleegd in het uitgaansleven na gebruik van alcohol. Mediation

In dit vonnis wordt duidelijk dat het gebruik van mediation in strafzaken succcesvol is. Het voorval heeft een grote impact op [slachtoffer] gehad, maar hij heeft baat gehad bij de met verdachte en zijn medeverdachte doorlopen mediation. Hij heeft meerdere keren met hen gesproken en zij hebben hun excuses aangeboden. De eerste termijn van de schadevergoeding van € 7.500,00 is betaald. De tweede termijn van € 1.500,00 moet uiterlijk op 1 maart 2016 worden voldaan. De officier van justitie heeft gevorderd dit deel van de vordering hoofdelijk toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict met justitie in aanraking is geweest en verzoekt de rechtbank rekening te houden met zijn proceshouding. Verdachte heeft een fout gemaakt. Hij heeft zijn oprechte spijt betuigd en excuses aangeboden aan [slachtoffer]. De mediation is geslaagd en verdachte zal zich aan de vaststellingsovereenkomst houden en het resterende deel van de schadevergoeding betalen. De eis van de officier van justitie is contraproductief. De raadsman heeft bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een deel voorwaardelijk en een forse taakstraf. Verdachte zal zich houden aan de door de rechtbank op te leggen algemene en bijzondere voorwaarden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:303&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:GHDHA:2015:303

 

Zaak inhoudelijk:

Op 31 oktober 2012 heeft [naam aangever] bij de politie aangifte gedaan tegen verzoeker en diens broer [naam] ter zake van (zware) mishandeling.

Naar aanleiding van die aangifte heeft de politie een onderzoek ingesteld, waarbij verzoeker en diens broer als verdachten zijn aangemerkt en door de politie zijn gehoord. Van dat onderzoek is proces-verbaal opgemaakt.

De toenmalige raadsvrouw van verzoeker en diens broer, mr. M.C. Storm, heeft vervolgens in december 2012 de politie benaderd met het verzoek de komende strafzaak op te lossen via mediation. De officier van justitie heeft met dat verzoek ingestemd en zijn vervolgingsbeslissing in de strafzaak tegen verzoeker en diens broer afhankelijk gesteld van de uitkomst van de mediation.

Op 26 maart 2013 heeft in bijzijn van mr. M.C. Storm in het kader van mediation een gesprek plaatsgevonden tussen [naam aangever] enerzijds en verzoeker en diens broer anderzijds, met als uitkomst dat verzoeker en diens broer aan [naam aangever] een bedrag van in totaal € 3.600,- zullen betalen als vergoeding voor de door [naam aangever] geleden schade als gevolg van het letsel dat verzoeker en diens broer hem hadden toegebracht.

De uitkomst van die mediation was voor de officier van justitie aanleiding de strafzaak tegen verzoeker en diens broer te seponeren.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:9220&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:RBNHO:2016:9220

Zaak inhoudelijk:

Raadsvrouw heeft bij wijze van preliminair verweer verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens strijd met de beginselen van een goede rechtsorde. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd dat door het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met artikel 51h lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat het openbaar ministerie bevordert dat de politie in een zo vroeg mogelijk stadium het slachtoffer en de verdachte mededeling doet van de mogelijkheden tot bemiddeling. Hoewel verdachte meerdere malen heeft geprobeerd om via de politie met het slachtoffer in contact te komen, heeft de politie dit nimmer overgebracht aan het slachtoffer. Zulks is gebleken tijdens de mediation, waar door de verdediging op 24 augustus 2015 om is verzocht en die met instemming van de officier van justitie heeft plaatsgevonden. Bij de aanmelding van de zaak is reeds door de officier van justitie aangegeven dat de uitkomst van de mediation niet zou afdoen aan de beoordeling van deze strafzaak, maar dat de uitkomst slechts in de strafmaat zou kunnen meespelen. Nadat de mediation was geslaagd, heeft vervolgens geen nieuwe afweging plaatsgevonden door het openbaar ministerie, terwijl naar de mening van de verdediging het openbaar ministerie in alle redelijkheid gelet op de geslaagde bemiddeling als ook de medeschuld van het slachtoffer een nieuwe afweging had dienen te maken met betrekking tot de wenselijkheid van verdere vervolging.

De officier van justitie heeft aangegeven dat artikel 51h, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering het openbaar ministerie niet een plicht oplegt maar de taak geeft om te onderzoeken of mediation een mogelijkheid is. In deze zaak is de mogelijkheid tot mediation geboden en heeft deze ook tot een geslaagde bemiddeling geleid. Of het resultaat van de mediation bij de vervolgingsbeslissing is meegewogen, kan ter zitting niet worden gecontroleerd maar dient niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:5852&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:RBDHA:2017:5852

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat mediation niet per definitie betekent dat een zaak zal worden geseponeerd. Ook na een geslaagde mediation kan een verdachte worden gedagvaard, zo blijkt uit artikel 51h Wetboek van Strafvordering (Sv).

Bovendien is een voorwaarde voor mediation dat partijen moeten instemmen en moeten meewerken. De verdachte en zijn medeverdachten hebben echter niet meegewerkt. Zij hebben in hun verhoor bij de politie immers nauwelijks openheid van zaken gegeven.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2017:6592&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:RBROT:2017:6592

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de in het dossier gevoegde stukken met betrekking tot het mediationtraject dat de verdachte samen met het slachtoffer heeft gevolgd. Uit deze stukken volgt onder meer dat de verdachte in 2016 tweemaal een gesprek met het slachtoffer heeft gevoerd en dat hij naar aanleiding daarvan met het slachtoffer overeenstemming heeft bereikt over de vergoeding die hij aan het slachtoffer betaalt. Uit de overeenkomst die de verdachte daartoe met het slachtoffer heeft gesloten, volgt voorts dat de verdachte noch het slachtoffer na het sluiten van de overeenkomst nog behoefte hebben aan voortzetting van de interventie van de politie of het openbaar ministerie. Zij hebben er vrede mee dat de onderhavige kwestie op die wijze is afgedaan en hechten geen waarde aan verdere sanctionering.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de vergoeding die hij met het slachtoffer is overeengekomen inmiddels aan het slachtoffer heeft voldaan.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit alsmede gelet op de LOVS oriëntatiepunten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, het bewezen verklaarde feit inmiddels bijna twee jaar geleden is gepleegd en de verdachte zijn verantwoordelijkheid voor het gepleegde feit heeft genomen. Voorts weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat hij heeft meegewerkt aan het mediationtraject met het slachtoffer en dat hij het slachtoffer al een schadevergoeding heeft betaald.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:1335&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:GHAMS:2016:1335

Het hof houdt ten voordele van de verdachte rekening met de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft voorafgaand aan de strafzaak deelgenomen aan een intensief mediation-traject tussen beide verdachten en het slachtoffer. Hierbij is de gebeurtenis uitgebreid besproken en het heeft erin geresulteerd dat de verdachten € 9.000 als bedrag aan schadevergoeding aan het slachtoffer hebben betaald. De verdachte heeft getoond dat hij inzicht heeft in het laakbare van zijn handelen en heeft deelgenomen aan een gedragstraining.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:380&showbutton=true&keyword=mediation

ECLI:NL:RBMNE:2016:380

Verdachte en het slachtoffer hebben deelgenomen aan bemiddelingsgesprekken van Slachtoffer in Beeld (SiB). Uit de eindovereenkomst van deze SiB-mediation blijkt dat beide partijen begrip hebben gekregen voor elkaars handelen. Duidelijk is geworden dat ze elkaar geen schade hebben willen toebrengen en dat ze spijt hebben van wat de consequenties zijn geweest. Partijen hebben aangegeven dat de situatie voor een ieder voldoende is hersteld en dat de geleden materiële en immateriële schade als verlies wordt geaccepteerd.